Naar betere oorden door Pjeroo Roobjee
Pjeroo Roobjee is eigenlijk een naam die ik voornamelijk ken uit de bibliotheek van mijn grootvader. Het is geen bekende schrijver (zover ik weet) maar als ik het goed begrijp heeft hij wel een schare trouwe volgelingen. Dit is niet verwonderlijk, zojuist heb ik het eerste kortverhaal uit zijn bundel (van 2008) gelezen en ik vond het fantastisch!
Het is even wennen aan de unieke schrijfstijl, ik las het verhaal luidop en haperde in het begin heel erg vaak. Maar het heeft wel iets! Of zelfs veel. Ik zal de verklaring van mijn liefde uitstellen tot ik wat meer gelezen heb, maar dit eerste verhaal wil ik nu toch delen, als een soort reclame.
De erwten
Een goochelaar vraagde om voor een prins eenen trek van behendigheid uit te voeren, zeggende dat geen aardeling nooit iets dergelijks kon gezien hebben. De vorstenzoon stemde toe, en onze goochelaar vertoonde zich met een kom vol gekweekte erwten. Daarna verzocht hij aan een hoveling een stopnaald op enige stappen van zijn richtende arm en hand in de hoogte te houden. Nu begon onze vaardigheidskunstenaar de erwten, de ene na de andere, met zoveel bekwaamheid te lanceren, dat ze allemaal op de punt van de naald terechtkwamen en er bleven steken.
De prins sprak toen tot de goochelaar: ‘Mijn vriend, ik snap dat gij u veel moeite hebt getroost en wreed veel tijd van node hebt gehad om tot zo ene behendigheid en zo een miraculeus meesterschap in uw wonderlijke kunst te komen. Het is dus billijk dat ik u hiervoor schadeloosstelle.’
De prins spak in bijkans stomme stilzwijgendheid enige woorden tegen een zijner dienstknechten. Deze ging uit en keerde weldra met een nogal zware zak weder. De goochelaar was hieromtrent zeer verblijd, want hij beeldde zich in dat deze zak vol erkenning en vol goud was.
Toen de lakei op commandement van de prins de zak opende, was die gevuld met nog te weken erwten. ‘Daar uw ongeziene bekwaamheid in de kunst die gij gekozen hebt,’ zo sprak de prins, ‘van geen nut voor de tegenwoordige tijd en de globaliserende samenleving is en dat gij er bijgevolg weinig of niet voor beloond wordt, zoude het goed kunnen gebeuren dat gij centen zoudet te kort komen om uwe erwten aan te kopen. Ik kan dus niets beters doen dan er u een flinke voorraad te geven.’
Omzeggens op slag verstond de goochelaar de harde les die in de twee zinnen van de prins lag verscholen. Hij besefte dat er in dit voze tijdsgewricht geen millimeter plekke was voor zijn kunst, die groot en oprecht was en wars van nut en mode en egoïsme en enig grof profijt bestond. Hij liet de zak vol ongeweekte erwten ten paleize staan en stillekens peinzend liet hij de volgende moraliteit tot de weke dondersteen van zijn klokhuis doordringen:
‘Wilt ge in uwen ouderdom gerust zijn en wreed tevreden,
Gebruik dan uwen tijd aan profijt en nuttige bezigheden.’Zo werd onze goochelaar een knopendraaier van een foefelaar in immobiele koten van huizen en onroerend stinkende bouwgronden, een lompweg nobele broodwinning heeltegans ten dienste van de naar onderdak snakkende samenleving, een allerschoonst metier dat de voormalige behendigheidsartiest goud in euro’s, een vuile ziekte aan de kleppen van zijn hart en een magnifieke kanker of twee opleverde. En alzo liet hij zijnen gaper op een schonen dag van den eerste mei, dag van den arbeid en het profijt van ‘t proletariaat aller nutte landen, hij liet dus op dien blijden dag zijn gaper, wijl op de dakpannen van het sterfhuis en omtrent de nauwe kavels van een door bouwcement verprutst landschap te neder regenden trosbloemblaadskens als roze vingernagelkens van Aëdon, bazin van het Noodlot en het Kwade Gesternte.
Dit verhaal doet me qua thematiek eigenlijk een beetje denken aan de Hongerkunstenaar, alleen is het op een geheel andere manier aangepakt en geschreven.
Ik herinner me het krantenartikel over deze dichtbundel nog goed. De auteur hield er zelf van, en zei iets in de trend van: ‘Roobjee is fantastisch! Maar voor de meeste mensen onleesbaar,’ wat ik me wel kan voorstellen.
Uit Aderbloed in de Kousenhoek
Aan de rand van Te Reysent, een lommerig woud dat de buurtschap van de Kousenhoek woekerend overdekt en vermeestert, stond er, in de jaren dat Zeus en compagnie en de Oneindige zelve nog maar korte knapen waren, op een goede keer een oogverblindend smal en slordig geteerd mensenhuisje.
Daarin woonde een arme moeder met haar kleine jongen. Het was lente en mei en moederkensdag en de kleine jongen riep: ‘Moeke, moeke, hier ben ik al! Raad eens wat ik voor u mede heb?!’
‘Een ei van onze kip?’ zo vroeg, met een spranke hoop omtrent haar glottis, de nog jeugdige weeuw, wijl zij, de bezitloze, met een nat en hongerig oog de ledigheid van de schapraai beschouwen moest. ‘Zoude het waarlijk kunnen en veridiek mogelijk wezen dat het al te bejaarde ondier, het niet langer tot baren in staat zijnde scharminkel alsnog haar weerspannige stonthol heeft opengezet om een ei in de gloedlawine van het door de zon gebakken en doorstoven lentegras te deponeren?!’
‘Nee,’ zo antwoordde de kleine jongen secuur de waarheid lievend.